In internationaal verband zijn richtlijnen en normen ontwikkeld die zich specifiek richten op de verantwoordelijkheden van ondernemingen. Deze richtlijnen zijn (mede) ontwikkeld door nationale overheden. De belangrijkste elementen van dit internationale MVO-kader worden hier uiteengezet.

VN Principes voor Mensenrechten en Bedrijfsleven

In 2011 nam de VN de Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) aan. Dit zijn internationale MVO-richtlijnen die duidelijk maken wat de rol van staten is en welke verantwoordelijkheid het bedrijfsleven heeft in relatie tot mensenrechten. De UNGP’s zijn een aanvulling op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere mensenrechtenstandaarden.

Aanleiding voor de totstandkoming van de UNGP’s is de groeiende complexiteit van internationale waarde-, productie- en toeleveringsketens. Uitbesteding van bedrijfsactiviteiten en productieprocessen vindt steeds vaker plaats in landen waar grotere risico’s zijn op mensenrechtenschendingen.

De UNGP’s kennen drie pijlers: ‘Protect’, ‘Respect’ en ‘Remedy’:

  • Duty to Protect
    De plicht van de staat om mensen te beschermen tegen mensenrechtenschendingen door derde partijen, zoals bedrijven.
  • Responsibility to Respect
    De verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om mensenrechten te respecteren. Due diligence is een kernbegrip in de uitwerking hiervan.
  • Access to Remedy
    De toegang tot recht en genoegdoening van slachtoffers bij schendingen is de verantwoordelijkheid van staten én van bedrijven.

De noodzaak tot due diligence is ook in andere internationale richtlijnen opgenomen zoals ISO 26000 en de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen.

Meer lezen

Internationale arbeidsnormen

De Internationale Arbeidsorganisatie (International Labour Organization, ILO) van de Verenigde Naties heeft arbeidsnormen vastgelegd in 188 overeenkomsten en 199 aanbevelingen die samen een breed spectrum aan arbeidszaken behandelen. De ILO heeft acht van haar verdragen aangemerkt als ‘fundamenteel’. Deze bevatten vier onderwerpen die worden gezien als de fundamentele principes en rechten op het werk:

  • Vrijheid van vereniging en erkenning van het recht op collectieve onderhandeling (ILO Conventies 87, 98, aangevuld met 135).
  • Het verbod op alle vormen van gedwongen arbeid (ILO Conventies 29 en 105).
  • Het verbod op kinderarbeid (ILO Conventies 138 en 182).
  • Het verbod op discriminatie (op grond van etniciteit, geslacht of sociale afkomst, ILO Conventies 100 en 111).

Daarnaast gaan de arbeidsnormen over zaken als een leefbaar loon, een maximum aantal overuren, werkweken niet langer dan 48 uur, met minimaal één vrije dag en het recht op een vaste aanstelling. Ook gaan de arbeidsnormen over bescherming van werknemers tegen willekeurig ontslag en veiligheid en gezondheid op het werk.

Minstens 150 landen ondertekenden de ILO Conventies, waaronder alle 28 EU-landen, waardoor deze bindend zijn. Grootmachten als de Verenigde Staten, China en India hebben slechts enkele conventies ondertekend. De fundamentele arbeidsnormen maken deel uit van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en worden op hun beurt weer onderschreven door de OESO-richtlijnen, Global Compact en diverse andere MVO-richtlijnen en initiatieven. De internationale arbeidsnormen worden ook vaak door bedrijven opgenomen in gedragscodes.

OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO, Engels: OECD) is een samenwerkingsverband van voornamelijk welvarende landen. Naast Europese landen doen onder andere de Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea en Australië mee. In 2000 heeft de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen opgesteld. Deze omvatten een breed scala aan normen voor arbeid, mensenrechten, milieu, consumentenbescherming en corruptie. Ook het nemen van ketenverantwoordelijkheid is opgenomen in de richtlijnen. De OESO-richtlijnen maken duidelijk wat overheden van bedrijven verwachten met betrekking tot hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Iedere OESO-lidstaat is verplicht een Nationaal Contact Punt (NCP) op te zetten. Deze NCP’s hebben twee taken:

  • Bedrijven bekendmaken met de OESO-richtlijnen en de toepassing ervan bevorderen.
  • Het behandelen van klachten van organisaties en individuele burgers over vermeende schendingen van deze richtlijnen door bedrijven.

De effectiviteit van de OESO-richtlijnen en het functioneren van de NCP’s worden kritisch gevolgd door ruim honderd internationale maatschappelijke organisaties die samenwerken onder de naam OECD Watch.

Meer lezen
  • Overzicht van de meldingen bij het Nederlandse NCP.

ISO 26000

ISO 26000 is een wereldwijde richtlijn voor MVO. De richtlijn is opgesteld via een wereldwijd multi-stakeholderproces (waar ook het MVO Platform aan deelnam). ISO 26000 bevat daarom MVO-uitganspunten waarover wereldwijd een brede consensus bestaat. ISO 26000 bouwt voort op andere richtlijnen zoals de UNGP’s, de OESO-richtlijnen en de internationale arbeidsnormen. De richtlijn gaat een stap verder door aanknopingspunten te bieden voor het verankeren van MVO in de bedrijfsvoering van een organisatie.

ISO 26000 is bedoeld voor ieder type organisatie, dus niet alleen voor bedrijven, maar ook voor overheden, instellingen en maatschappelijke organisaties. Het is opgebouwd uit zeven kernonderwerpen: goed bestuur, mensenrechten, arbeidsomstandigheden, milieu, eerlijk en integer handelen, consumenten en maatschappelijke betrokkenheid. Per kernonderwerp is er een veelheid aan aandachtspunten en zeven algemeen geldende principes: verantwoordingsplicht, transparantie, ethisch gedrag, belanghebbenden, regels van de wet, internationale normen en mensenrechten.